Het carillon

Ida Gerhardt


Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, -
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius : - een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’

En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luistr’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.  

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad –
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Oorlogsjaar 1941

 

Toelichting

De Nederlandse classica Ida Gerhardt (1905-1997) schreef poëzie in klassieke stijl. Uit haar gedichten spreekt een verfijnd en beheerst gevoelsleven. Het carillon is uitgegroeid tot een van de bekendste gedichten van het Nederlands taalgebied. Vooral de laatste twee verzen zijn vaak geciteerd.  Het gedicht evoceert de troostende kracht van het oud-Hollands beiaardspel in de donkere tijd van de Duitse bezetting. Het is niet toevallig dat de beiaard Valerius speelt : de 17de-eeuwse liedbundel Valerius Gedeck-clanck bevat liederen die opkomen tegen de toenmalige Spaanse bezetter. Wellicht is het geïnspireerd op de beiaard van Leiden, de stad waar ze tijdens de oorlog studeerde en waar ze graag verbleef.

terug | home