Écrit sur une vitre flamande  

Victor Hugo

J'aime le carillon dans tes cités antiques,
O vieux pays gardien de
tes moeurs domestiques,
Noble Flandre, où le Nord se réchauffe engourdi
Au soleil de Castille et s'accouple au Midi !
Le carillon, c’est l’heure inattendue et folle,

Que l’oeil croit voir, vêtue en danseuse espagnole,

Apparaître soudain par le trou vif et clair

Que ferait en s’ouvrant une porte de l’air.

Elle vient, secouant sur les toits léthargiques
Son tablier d’argent plein de notes magiques,
Réveillant sans pitié les dormeurs ennuyeux,
Sautant à petits pas comme un oiseau joyeux,
Vibrant, ainsi qu’un dard qui tremble dans la cible ;
Par un frêle escalier de cristal invisible,

Effarée et dansante, elle descend des cieux ;

Et l’esprit, ce veilleur fait d’oreilles et d’yeux,
Tandis qu’elle va, vient, monte et descend encore,
Entend de marche en marche errer son pied sonore !

Vertaling

De Spaansche danseres
Naar Victor Hugo

Ik lust den beiaard in uw zwartberookte steden,
Gezegend land, nog fier op uw aloude zeden,
O Vlaamsche gouw, waar ’t Noorden arm aan vlam en licht,
Zich aan Castielje’s gouden zon te warmen ligt.
Ontwaak ik bij het klingelzieke beiaardwijsje,
Vaak waant mijn oog te blikken op een dansend meisje,
Omhoog verschenen in een helder raamkozijn,
Dat plots in luchtruim open zou geschoven zijn.
Zij schudt haar zilverschortje ledig op de daken,
Die voor een poosje weer hun eeuwensluimer staken,
Jaagt schaterlustig elken luiaard uit het bed,
Beweegt gelijk een spreeuw met kleinen huppeltred
En beeft, zooals een pijlken in het wit kan beven.
Als van een glazen wenteltrap, in ’t licht verheven,
Daalt zij gezwind en schichtig uit den hemel af,
En met “het horkend oog”, dat God mijn ziele gaf,
Zie ik haar voet, in ’t goud der laatste morgendampen,
De dolste klankfuzeeën uit de trappen stampen.

(vert. Lambrecht Lambrechts, in Muziekwarande, 1, 8, 1922, p. 171).


Bewerking

Julius Sabbe schreef een sonnet over de beiaard van Brugge. De eerste twee strofen zijn geïnspireerd op het gedicht van Hugo.

Brugge’s beiaard

Mij is de beiaard lief in uwe aloude steden,
O Vlaanderen, waar het Noord, na Winters bang getreur
Zich koestert in de zon van ’t Oosten, gloed en kleur,
Of zich aan ’t Zuid verbruidt, getrouw aan oude zeden.

Die wekker is het uur, zoo eensklaps voorgetreden
Als klepperdanseres in ’t vinnig licht der scheur
Van een schielijk openslaande hemeldeur
En deuntjes klepprend uit onheuglijk ver verleden.

De beiaard zingt ook hier in Brugge’s Halletoren.
Hij zong er toen hier mocht de zon der weelde gloren,
Maar zweeg toen kwam de tijd van armoe en verdriet.

Hij wacht tot uit dien nood zijn Brugge wordt herboren
En mag de zon opnieuw door al die nevels boren,
Hij zingt zijn liedje weer : vergeten heeft hij ’t niet.

(Albert Portier, Brugsche tooverklanken, Brugge, 1939, p. 3).

 

Toelichting

Op 19 augustus 1837 verbleef in een hotel op de Mechelse Grote Markt een beroemde gast Door het voortdurende nachtelijk lawaai van de beiaard kon hij de slaap niet vatten en ten einde raad kraste hij met de diamant van zijn ring een gedicht op de ruit. Doordat die gast toevallig Victor Hugo was, hebben wij er een mooi gedicht aan overgehouden, waarvan het beginvers "J'aime le carillon dans tes cités antiques" onder beiaardliefhebbers gemeengoed is geworden.

Tot zover het verhaal. De werkelijkheid is licht anders. De nacht van 17 op 18 augustus verbleef Hugo in Bergen, waar hij wachtte op de koets die hem naar Brussel zou brengen. Toen hij het automatisch speelwerk van het stadhuis hoorde, was hij zo gecharmeerd, dat hij de dag daarna aan zijn vrouw schreef : “Ik heb er goed aan gedaan die nacht niet te gaan slapen, vind je ook niet ? Nooit had de slaap mij een droom kunnen schenken die meer naar mijn zin zou zijn geweest. “

Wellicht heeft Victor Hugo twee dagen later in Mechelen zijn nachtelijke ervaring van Bergen tot poëzie herschapen. Onder het gedicht staat trouwens de vermelding “Malines”. Hugo heeft niet overnacht n Mechelen, maar passeerde er op 19 augustus. Hij nam wel de tijd om de Sint-Romboutstoren te beklimmen. Hij beschreef de beiaard als volgt : “Stel je eens voor, een piano van vierhonderd voet hoog, met de hele kathedraal als vleugel.”

Hugo’s beiaardgedicht start met een korte verheerlijking van Vlaanderen, kruispunt van noordelijke en zuidelijke cultuur, waar oude tradities nog in ere worden gehouden. Vervolgens evoceert het de nachtelijke rammel, die vergeleken wordt met een Spaanse danseres.

terug | home